‘Ik ben nu een jaar schoon en het valt me mee’

 

Bijna de helft van zijn leven was Sietse (26) aan de wiet. Vanaf zijn zeventiende ging hij van crisisopvang naar crisisopvang zonder dat er veel zicht op verandering was. Vorig jaar besloot hij op ’t Mastler in Eefde (onderdeel van Trajectum) dat de knop om moest. ‘Ik wilde echt stoppen.’ Zijn behandelverantwoordelijke ging op zoek naar een goede plek voor hem en vond die op Boschoord (eveneens behorend tot Trajectum). Sietse is vol lof over het behandelprogramma ‘Omgaan met middelen en verslaving’. ‘Hier word ik serieus genomen.’

Hij bleef wel een half uur slap van het lachen, herinnert Sietse zich. Zijn eerste joint rookte hij op zijn twaalfde. ‘Een leuke ervaring waar ik verder geen bijzondere gedachte bij had. Het gebeurde gewoon.’ Hij zat in de eerste klas van het ivbo. Elke dag vijftien kilometer fietsen vanuit Tolkamer naar Zevenaar met een stel jongens uit het dorp. Op de terugweg bleven ze in het dorp die eerste keer wat rondhangen bij een speelplaats. Een vriend haalde een zakje wiet tevoorschijn en liet het de groep rondgaan. Zo begon het voor Sietse. Met een lachkick.

Op school blowden ook een aantal leerlingen wel vaker. Van twee keer in de week een joint ging het geleidelijk naar meer. Totdat Sietse op een gegeven moment wel vier gram per dag oprookte met uitschieters van tien gram. Dan kocht hij in Arnhem bij de coffeeshop voor honderd gulden wiet. ‘Ze kenden me en wilden me ook altijd wel matsen. Ik rookte wel acht tot zestien joints per dag. Mijn ouders wisten er niet zoveel van totdat ik een keer knetter stoned thuiskwam.’ En nog ontkende hij het als zij hem erop aanspraken.

Soms vonden zijn vader en moeder zakjes wiet op zijn kamer of zagen ze wel aan zijn rode ogen dat hij weer stevig had doorgehaald. ‘Ik was heel veel op stap. Zat absoluut niet lekker in mijn vel. Ik was heel onzeker over mezelf en voelde me beter als ik een beetje van de wereld was. Eigenlijk wist ik totaal niet wat ik met mezelf aan moest’, zegt Sietse terugkijkend naar die heftige periode. ‘Als ik een joint rookte was het goed.’

Crisisopvang

De ruzies thuis waren ondertussen niet van de lucht. Het liep steeds meer uit de hand. Als hij zich kwaad maakte begon hij dingen stuk te maken. ‘Mijn ouders wilden dat ik stopte.’ Sietse had daar op dat moment geen boodschap aan. Na zijn eerste opname in een crisisopvang omdat het thuis niet langer ging, volgden er nog 22. Hij reisde van opvang naar opvang om overal opnieuw zijn neus te stoten. ‘Ik wilde wel geholpen worden maar bij de meeste instellingen weigerden ze verder met me te gaan omdat ik nog steeds gebruikte. Op het laatst maakte het mij ook niet meer uit. Als ik dan een keer gebruikte, kreeg ik alleen maar straf. Ik trok daaruit de conclusie dat ze me eigenlijk toch niet wilden helpen. Ze gingen nooit het gesprek aan waarom ik gebruikte en wat we er aan zouden kunnen doen.’

Trajectum clientverhaal Sietse

Triomfantelijk vertelt Sietse dat hij al een jaar schoon is. ‘Op ’t Mastler heb ik vier jaar gezeten en de laatste anderhalf jaar had ik daar goeie gesprekken met een psychotherapeut waardoor mijn depressies en agressie ook minder werden. Ik kreeg toen sterk het gevoel dat ik de laatste stap ook moest zetten. Met mijn overplaatsing naar Boschoord wilde ik echt stoppen.’ In het voorjaar ging hij nog een keer voor de bijl. Op het station van Steenwijk zaten een paar jongens te blowen die hem ook een joint aanboden. ‘Na tien hijsen voelde ik me klote van mezelf.’ Terwijl hij elders zou zijn afgestraft, volgde er op Boschoord met de behandelaar en trainer een stevig gesprek. Hij haalt z’n schouders op. ‘Ik ben een keer in de fout gegaan. Een terugval hoort er soms bij. Daar leer ik ook van. Nu heb ik het uit mijn hoofd gebannen. Ik vind het nog steeds lekker ruiken hoor als ik in Arnhem langs de coffeeshops loop. Maar ik hoef niet meer naar binnen.’

Sietse doet mee aan de groepstraining. Nu hij al wat verder in de behandeling is, treedt hij ook op als buddy voor een andere jongen op de woongroep. ‘Als die het moeilijk heeft, mag hij me bellen. Ik ben natuurlijk geen begeleider, maar zo hebben we wat aan elkaar.’

Een wens toevoegen

Met elkaar oefenen ze situaties waar ze in het verleden mee te maken hadden. ‘Dat spelen we dan uit tijdens de drama-oefeningen. Degene die het is overkomen mag ook een wens toevoegen hoe hij het graag had gewild en dat spelen we dan ook.’ Het meest wezenlijke verschil met al die andere instellingen waar Sietse ervaring mee heeft opgedaan is de bejegening. ‘Daar gedroegen de groepsleiders zich alsof ze de baas waren en boven me stonden. Hier gaan we samen om de tafel zitten om een plan te bedenken. Ik word hier gelijkwaardig behandeld, dat is voor mij heel belangrijk anders zet ik mijn stekels op.’

Sietse is blij met de reddingsboei die hem op Boschoord is toegeworpen. ‘De meeste van mijn oude vrienden zitten nog altijd in hetzelfde schuitje. Ik ben blij dat ikzelf heb besloten dat ik van mijn verslaving af wilde. Als anderen die beslissing nemen, gaat het niet werken.’ Voor hem is misschien nog belangrijker geweest dat zijn ouders hem nooit hebben laten vallen. ‘Ook als het niet lukte, kon ik altijd bellen. Dat ik zover ben gekomen, heb ik aan hen te danken.’ Terugkijkend zegt hij dat het hem eigenlijk alles is meegevallen hoe makkelijk het leven zonder wiet is. Toch wil Sietse ook niet te hard van stapel lopen. Hij hoopt in het najaar naar de resocialisatie in Wilhelminaoord te gaan en dan uiteindelijk in aanmerking te komen voor begeleid wonen. ‘Ik kan beter nu stapje voor stapje vooruit zetten om te voorkomen dat ik in een keer twintig stappen achteruit ga’, merkt hij weloverwogen op.  En wie weet kan hij zijn opleiding voor loodgieter na ruim tien jaar eindelijk afmaken. ‘Dat werk ligt me goed.’