Rust was er nooit

Agressie was altijd en overal om hem heen. In de omgeving waar hij opgroeide werden conflicten met de vuist beslecht. ‘Je gaf klappen en je kreeg klappen. Zo ging dat. Altijd.’ Vader voerde een schrikbewind over het gezin. Losse handjes. Die ramde desnoods een pvc-buis stuk op je rug als dat zo uitkwam. Het maakte van Peter (1962) een gesloten en introverte man. Een binnenvetter. Het zou z’n leven bepalen.

Hij vertelt z’n verhaal zonder terughoudendheid, schetst de feiten sober, simpel en rauw zoals ze waren. Van de allesoverheersende dominantie van vader thuis. Over z’n moeder, die haar vier zoons vergeefs probeerde te beschermen. ‘Moeder was een schat. En nog.’

14 01 21 trajectum levensverhalen bert

Hij was een buitenbeentje op school. Werd gepest. Soms was dat nog wel dragelijk. Soms niet. Zoals die keer dat hij werd vastgeketend op het Paasvuur, vlak voordat de vlam erin zou gaan. Het was z’n vader die hem uit z’n hachelijke positie bevrijdde. Dat dan weer wel.

De ervaring was diep traumatisch. Peter werd weerbarstiger dan hij al was. Het doofde het laatste restje plezier in z’n leven. ‘Het was geen mooie tijd.’

Hij was 17 toen hij uit huis ging. Trok in bij een vriendin. ‘Ik hield het niet meer vol, al die trammelant thuis. Of ik moest vader uit de kroeg halen. Of bij een andere vrouw uit huis. Er was altijd wel wat. Maar rust was er nooit. Daar kon ik niet meer tegen.’

Niet veel later ontmoette hij zijn toenmalige vrouw. Nog net geen 18 was hij toen hij thuis vertelde met haar te willen trouwen. Z’n ouders lagen in scheiding, vader wilde er niets van z’n plannen weten. Dronken wilde hij z’n zoon te lijf, maar deze keer ging alles anders. ‘Ik heb hem bij de strot gepakt en gezegd: dit doe je nooit weer.’ Het zou de laatste lichamelijke confrontatie tussen hen zijn.

Ze trouwden in 1980. Het huwelijk was goed in het begin. Er kwamen twee ‘wichjes’. Peter handelde in alles wat los en vast zat om z’n gezin te kunnen onderhouden. En ging daarbij ook wel eens over de schreef; in 1987 moest hij naar de gevangenis voor diefstal, hennepteelt en mishandeling. ‘Maar toch’, zegt hij, ‘wilde ik er echt iets van maken. De meiden een andere jeugd geven dan ikzelf had gehad.’

Maar dat zou anders lopen.

Het was de onverwachte kinderwens van Linda, die zou leiden tot een cumulatie van onmacht en woede. Peter had zich op verzoek van z’n vrouw nog maar net laten ‘helpen’ toen ze hem vertelde toch nog graag een kleintje te willen. Het nieuws verbijsterde hem. ‘Wat moest ik daar nou mee?’

Maar ze meende wat ze zei. Hoe ver ze zou gaan om haar wens te vervullen ontdekte Peter toen hij op een kwade dag toevallig thuis kwam. Onverwacht. Hij trof haar samen met z’n oudste broer. ‘Ik ben op de overloop in elkaar gezakt en heb gejankt zoals ik nog nooit eerder had gedaan. Kapot was ik ervan.’

Hij maakte een cruciale inschattingsfout. ‘Ik had toen beter kunnen zeggen: inpakken en wegwezen. Het had me heel wat sores gescheeld. Maar dat deed ik niet.’ Sterker nog, om de lieve vrede te bewaren en z’n gezin bij elkaar te houden stemde hij in met de bizarre situatie. Een verregaande vergissing. Frustraties regen zich aaneen, stapelden zich op in z’n hoofd.

Peter was terecht gekomen in een neerwaartse spiraal en verloor alle controle over z’n leven. Wraakzuchtig geweld was voor hem de enige uitweg. ‘Ik werd zo gek als een deur, wilde haar straffen.’ In 2006 werd Peter veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf en TBS voor bedreiging, mishandeling en verkrachting van z’n vrouw. Na twee jaar gevangenis werd hij in 2008 opgenomen in destijds Hoeve Boschoord.


Nieuw vertrouwen

Een ondoordringbaar pantser droeg hij in het begin. Twee jaar gevangenisstraf (in de Penitentiaire Inrichtingen Ter Apel en De Grittenborg in Hoogeveen) hadden Peter gehard. Het geloof in een nieuw leven gloorde nog nergens aan de horizon. Leek verder weg dan ooit.

Er werd van hem verwacht dat hij z’n hart zou luchten, zou praten. Niet in de taal zoals hij altijd gewend was, met de vuisten. Maar Peter kon het niet. Bleef in zichzelf gekeerd, voelde zich onbegrepen en werd daar moedeloos van. De grote man liep chagrijnig en nors rond. Had een negatieve invloed op de sfeer binnen de afdeling. ‘Ik wist niet goed welke kant ik uit moest, ik had er geen idee van. Domweg je straf uitzitten is heel wat anders dan een behandeling ondergaan. Jezelf veranderen, dat is niet gemakkelijk.’

 

 

Ze konden hem wat. Hem had altijd alles tegen gezeten. En hier dachten ze zeker dat dat veranderen kon? Hij haalt z’n schouders op. ‘Ik had er geen vertrouwen in.’

En toch zou dat vertrouwen komen. Ontstond een klik tussen hem en z’n hulpverlener. Gesprekken zonder oordeel, zonder gevolgen. Gewoon in het dialect, dat hij zo gewend was. De rustige en begripvolle houding pelde langzaam maar zeker het pantser af. Samen formeerden ze een doel: een rustig leven in de toekomst. Hij lacht. ‘Als dat zou kunnen.’ Vanaf dat moment begreep hij het. Het zou kunnen, maar daar zou hij zelf hard aan moeten werken.

En dat deed hij ook.

‘Ik moest open staan voor dingen die niet in mijn systeem zaten’, zegt hij, ‘dat is moeilijk, maar het kan wel.’ Peter moest veel leren. De simpelste dingen. Praten. Respect tonen voor een ander, conflicten oplossen met woorden. Omgaan met boosheid. Boosheid die vele gedaantes heeft. Peter leerde ze herkennen.

Daar kreeg hij de spanningsthermometer voor. Hoe hoog is de spanning opgelopen, op een schaal van 1 tot 100? ‘Voelde ik me opgefokt, dan vulde ik dat in.’ Of ze speelden met elkaar een conflict na, kwamen met oplossingen. ‘Dat werkte.’ Zo ging in zijn hoofd de knop om. Peter vond de rust terug. Leerde uit een stressvolle situatie te stappen als hij woede voelde aanzwellen. En er tijdig over te praten. Gevoel te delen. ‘Mij zal het niet meer gebeuren’, zegt hij. ‘Ik ga straks nergens meer op in. Ga niet slaan, maar keer hen gewoon de rug toe.’

Zoetjesaan kwam voor Peter een normaal leven weer binnen handbereik. Het gaf hem vleugels, vertrouwen in de toekomst. De schier ondoordringbare man werd een leergierig cliënt, die alles op alles zette. Z’n inzet werd beloond. Peter kreeg in 2011 meer vrijheden op het terrein. Vrijheden die langzaam maar zeker werden uitgebouwd tot onbegeleid regioverlof. ‘Ja. Het is goed gegaan.’


Een andere man

Peter is opgeruimd. Ontspannen. Klaar voor een nieuw leven. De gesloten en weerbarstige man van ooit is openhartig, joviaal. Vriendelijke ogen bekijken de wereld met vertrouwen. Zo keken ze nooit eerder.

Hij zit voor het raam in z’n kamer in De Zilverspar. Naast het keurig opgemaakte bed en de TV in de hoek. Hij draait een zware van Van Nelle, trekt de asbak naar zich toe en zegt: ‘Ik ben een andere man geworden.’ En dan met een brede lach op z’n gezicht: ‘Ik ben vrolijk. Dat is een lange tijd weggeweest. Het is hier teruggekomen.’

Volgend jaar zit z’n TBS erop. Dan heeft hij een kleine tien jaar aan detentie en TBS-opname achter de rug. ‘De vrijheid gaat nu echt aan me trekken’, zegt hij.

De bonkige man verheugt zich erop. Aan de ene kant. Aan de andere kant ‘ziet hij er als een berg tegenop’. ‘Het wordt nog wennen straks, buiten de kliniek. Tien jaar is lang, hoor.’

Hij lacht. ‘Gelukkig wordt ik niet in het diepe gegooid.’

14 01 21 trajectum levensverhalen bert

 

Hij koos ervoor zich te laten begeleiden bij het proces dat hem wacht. Hij voelt zich gesterkt door de wetenschap dat zijn persoonlijk begeleider op de achtergrond altijd voor hem klaarstaat. ‘Zodra ik me over iets onzeker voel ga ik hem bellen.’ Hij dooft de sigaret in de asbak als hij zegt: ‘Ik wil heel graag dat het goed gaat en goed blijft. M’n leven moet stevig op de rails. Die verplichting heb ik wel. Naar mezelf, maar vooral naar de kliniek. Zo voel ik dat.’

Peter gaat terug naar het dorp waar hij vandaan komt. In een huurhuisje, dichtbij z’n familie. Het lijkt hem fantastisch bij z’n moeder op visite te kunnen, met z’n jongste broer mee naar Duitsland af te reizen ‘voor wat handel’. Z’n gezin is een afgesloten hoofdstuk. ‘Ik wil rust in de rest van m’n leven.’

Bij die rust hoort voorlopig geen relatie, vindt hijzelf. ‘Ik ga er niet naar op zoek’, zegt hij, ‘relaties hebben me niet veel moois gebracht.’ Een brede lach. ‘En ik kan zelf heel goed een potje koken, echt wel. Daar heb ik geen vrouw voor nodig.’

Hij draait nog maar eens een zware. ‘Ik hoop op levensvreugde. Dat heb ik altijd gemist.’